• Serie: De Kinderafdeling
    1. (Fragment)Roman: Twee moeders

      "Ik heb zuurstof nodig." Joyce den Oude stelde zich daadkrachtig op en gaf orders rond het ziekenhuisbed van Oscar.

      Kim Bakker drukte een zuurstofkapje op Oscars hoofd. "Rustig ademen," zei ze tegen de jongen. "Rustig inademen en uitademen."

      Joyce prikte een infuus in de arm van het jongetje.

      "Gaat het?" vroeg Marleen aan de dame en heer die op een paar passen afstand van het bed stonden. "U bent zeker de ouders?"

      De vrouw knikte, haar blik was op het bed gericht en kwam er niet van los. Haar gezicht was lijkwit en ze had de arm van haar man stevig omklemd.

      "Kom," zei Marleen zacht tegen Oscars ouders. 'Geef ze wat ruimte." Ze legde haar hand op de rug van de vrouw en dirigeerde haar naar achteren.

      "Wat doen ze?" vroeg Oscars moeder.

      "Hij krijgt zuurstof en een infuus."

      De vrouw sloeg haar hand voor haar mond. "Mijn arme ventje," fluisterde ze. Met trillende handen wreef ze in haar ogen.

      Joyce keek op de monitor en gaf een kordaat knikje richting Kim. Vervolgens draaide ze zich om naar Marleen en Oscars ouders en glimlachte. De rust was terug. Kim hield nog steeds het mondkapje op Oscars mond geduwd maar het kind ademde nu al een stuk rustiger.

      "Mag ik naar hem toe?" vroeg Oscars moeder.

      Joyce knikte. Ze deed een stap achteruit om Oscars moeder bij haar zoon te laten.

      "Hé dag lieverd," fluisterde Oscars moeder. Ze streelde haar zoontje over zijn voorhoofd. "Wat is dat nou allemaal? Je laat ons schrikken."

      Oscars vader kwam achter zijn vrouw staan en legde zijn handen op haar schouders. "Goh, bink. Dapper van je hoor. Je hebt je goed gehouden."

      Joyce liep naar Marleen toe. "Dank je," zei ze. "Dank je dat je de ouders op wat afstand hebt gehouden."

      "Dat spreekt toch vanzelf," antwoordde Marleen. "Weet je wat er precies is gebeurd?"

      "Het jongetje is met een ambulance binnen gekomen. Hij heeft een acute longontsteking. De zuurstofwaarden in zijn bloed zijn veel te laag. De situatie was kritiek."

      "En nu?"

      "Nu is alles weer stabiel. Gelukkig."

      "Mooi zo."

      Marleen liep naar de ouders toe en boog zich over het bed heen.

      "Schrikken, hè."

      "Nou," antwoordde Oscars moeder.

      "Ik ben Marleen Kessels, kinderverzorgster."

      "Minke Tribbe," stelde Oscars moeder zich voor.

      "Menno." Oscars vader stak zijn hand uit.

      "En jij moet Oscar zijn."

      Oscar knikte haast onmerkbaar. "Je zult wel geschrokken zijn," zei Marleen. "Maar nu is alles weer goed."

      "Kan ik iets voor jullie doen? Willen jullie misschien koffie of iets anders?"

      "Ik zou wel graag een glas water willen," zei Minke. "En ik moet even naar huis bellen. Ik moet laten weten dat alles goed is."

      "U mag hier niet bellen met uw mobiele telefoon hoor," waarschuwde Marleen. "Dat stoort de apparatuur. Bij de balie staat een vast toestel, als u dat wilt kunt u daar wel even mee bellen." "Heel graag. Ja, weet je wat het is? De broer en zus van Oscar zitten natuurlijk ook in spanning. Die willen uiteraard weten hoe het met hun broer is."

      "Zijn ze alleen thuis?"

      "Nee. Stefanie is pas drie en Giel is acht. Gelukkig kwam mijn buurvrouwtje naar buiten toen ze de ambulance hoorde. Zij heeft beloofd om bij de kids te blijven."

      "Gelukkig maar. Beter een goede buur dan een verre vriend."

      "Dat is zeker waar." Minke keek haar man aan. "Tja, hoe moet het nu?" vroeg ze aan hem. "Wat moeten we met Stefanie en Giel doen? Waar moeten die heen? Marleen, ik neem aan dat Oscar hier moet blijven?"

      Marleen knikte. "Ja, zo te zien wel. Ik weet niet hoe lang, maar hij kan in ieder geval vanavond nog niet naar huis."

      "Dan moeten we straks maar om de beurt naar huis gaan, denk ik. Stefanie en Giel moeten toch opgehaald worden." Minke richtte haar blik op Marleen. "Heel fijn hoor, dat mijn buurvrouw meteen aanbood om op hun te passen, maar dat vrouwtje is al achter in de tachtig. Die is niet opgewassen tegen de energie van een kleuter en een jongen zoals Giel. Als die de kans krijgen, breken ze de boel af. Eén uurtje oppassen gaat nog wel, maar we kunnen ze daar onmogelijk uren laten zitten."

      "Kunnen jullie niemand anders bellen? Een oppas, vriendin, opa of oma?"

      Minke schudde van niet. "Ik heb geen idee wie. Mijn beste vriendin, Claudia, is op vakantie en ik wil ze niet bij een ander kwijt.' Ze keek naar Oscar die in het witte ziekenhuisbed lag en met zijn grote, donkere ogen de ziekenhuiskamer doorkeek. "Maar voorlopig blijven we hier, hoor."

  • Serie: Anne Maas
    1. (Fragment) Roman: In zijn greep

      "Mijn man is hier binnengebracht." Een vrouw met verwilderd rood haar klampte zich vast aan de balie van de Landau-kliniek. Margit Boller keek op van haar werk.

      "Ik ben hier zo snel als ik kon naar toe gekomen. Ik moet weten hoe het met hem is. Waar is hij? Welke kant moet ik op? Het komt toch wel goed met hem? Ik moet, hij is, ik wil..."

      "Rustig maar mevrouw," zei Margit zacht. "Wat is uw naam?"

      "Gisele See," antwoordde de vrouw. "Mijn man heet Christian. Hij is, oh god, hij is... Ik weet het ook allemaal niet. Niemand kan mij ook iets vertellen. Alleen dat hij hier is binnengebracht en..."

      "Ik zie hem hier op de lijst staan. Hij ligt op de afdeling chirurgie op de eerste verdieping."

      Gisele keek verwilderd om zich heen.

      "Daar is de trap," wees Margit. "U kunt zo doorlopen. U kunt boven iemand aanspreken en die loopt dan met u mee."

      "Lieve heer," prevelde Gisele voor zichzelf uit. "Chirurgie. Oh nee, wat moet daar van komen."

      Gisele liep de trap op naar boven en keek op de bordjes waar ze naar toe moest. Chirurgie, interne geneeskunde, gynaecologie. Ze volgde het bordje chirurgie en kwam terecht op een grote, witte afdeling. Waar moest ze heen?

      Een blonde verpleegster van ongeveer Giseles leeftijd liep voorbij. "Zuster, kunt u mij helpen?"

      De verpleegster keek Gisele vragend aan.

      "Ik zoek mijn man. Christian See. Hij is hier net binnengekomen en..."

      Gisele hoefde haar zin niet eens af te maken.

      'Ik weet wie u bedoelt," antwoordde de verpleegster. "Komt u maar met me mee."

      Gisele volgde de vrouw naar een deur die op een kier stond.

      "U moet niet schrikken," waarschuwde de verpleegster. "Voordat u naar binnengaat wil ik u even waarschuwen. U moet voorzichtig met hem zijn. Hij heeft een behoorlijke val gemaakt en hij kan zijn lichaam niet bewegen. Elke aanraking doet hem pijn. Probeert u alstublieft een beetje kalm te blijven, want uw man mag nu niet in paniek raken."

      "Gisele keek de verpleegster aan. "Het komt toch wel goed met hem?"

      De verpleegster glimlachte maar gaf geen antwoord op de vraag. "Gaat u maar naar binnen," zei ze. "Ik kom straks even bij u."

      Gisele bleef staan in de deuropening. Daar lag hij, haar man. Christian. Hij lag op bed, de armen uitgestrekt langs zijn lichaam, zijn hoofd naar het raam gekeerd waar het een prachtige dag was. De boomtoppen ruisten in de wind, een vogel vloog voorbij.

      "Christian?" fluisterde Gisele.

      Als in slow motion draaide Christian zijn hoofd om. Op zijn gezicht verscheen een flauwe glimlach toen hij zijn vrouw in de deuropening zag staan.

  • Serie: Lidy van de Poel
    1. (Fragment) Roman: Pijnlijke liefde

      Nora schrok op van een schreeuw. Ze herkende het geluid meteen. Het was haar achtjarige zoontje Robert. Met twee treden tegelijkertijd rende ze de trap op. Ze maakte een hink-stap-sprong over het speelgoed dat van de jongens op de overloop lag, deed nog twee stappen en stormde toen de slaapkamer van Robert in.

      Daar lag haar kind. Op de grond, kermend van de pijn. Pieter en Luc zaten naast hem.

      "Stil maar jochie," suste Pieter. 'Huil maar niet.'

      "Wat is er gebeurd?" vroeg Nora haastig. "Schatje, wat is er gebeurd?"

      Robert lag met zijn knieen opgetrokken. Hij had twee handen op zijn rechteroog gelegd. Voorzichtig trok Nora zijn handen weg. De huid rond Roberts oog was vuurrood en gebarsten.

      "Jezus, wat is er in vredesnaam gebeurd," bracht Nora ontzet uit.

      Robert kon alleen maar hartverscheurend huilen.

      "Luc, heb jij gezien wat er is gebeurd?"

      Het tienjarige ventje haalde zijn schouders op. En schudde zijn hoofd. "Ik zat op mijn kamer," zei hij. "Ik zat te computeren."

      "Pieter?"

      Nora keek haar vriend aan. Hij zag er bleek uit, zichtbaar geschrokken.

      "Nee," stamelde hij. "Nee, ik heb niets gezien. Ik was boven. Ik hoorde hem opeens schreeuwen."

      "Ach ventje," zei Nora sussend. Ze legde haar hand beschermend op het achterhoofd van haar zoon. "Ach lieve, lieve schat."

      Toen richtte ze haar aandacht weer op Pieter.

      "We moeten naar het ziekenhuis," zei ze stellend. "Naar de eerste hulp."

      Daadkrachtig stond Pieter op. "Wat doe jij?" vroeg hij aan Luc. "Ga je mee of blijf je hier?"

      Luc trapte tegen een actieheld die verslagen op de grond lag. "Ik blijf wel hier," zei hij.

      "Oke. Kom op dan maar."

      Pieter schoof zijn handen onder het kleine lijfje van Robert, klaar om hem op te tillen. Maar zodra Robert de handen van Pieter onder zich voelde schuiven, begon hij te trappen met zijn benen en nog harder te gillen dan eerst.

      "Mama," schreeuwde hij. Hij strekte zijn hand uit naar Nora.

      "Ik ben hier, ventje," zei Nora zacht en ze kneep even in zijn hand. "Kom maar hier."

      Pieter week achteruit en Nora hielp Robert omhoog. Met haar arm om hem heen geslagen en haar hand onder zijn oksel hielp ze Robert de trap af.

      Toen ze beneden kwamen, had Pieter de auto al gestart. Nora kroop met Robert op de achterbank. De auto werd gevuld met het gehuil. Niemand zei een woord. Pieter keek verbeten naar de weg voor zich en Nora keek naar Robert. Nu ze haar kind zo zag huilen, schoten er tranen in haar eigen ogen. Liefdevol aaide ze hem over het hoofd.

      'Wat is er toch gebeurd?" vroeg ze.

      Robert gaf geen antwoord.